“Je moet komen, ze zijn pa aan het reanimeren…”
Mijn vader… Hij was een vader zoals een vader hoort te zijn: warm en liefdevol, streng doch rechtvaardig, warm, humoristisch, inspirerend maar vooral: hij was er altijd voor je. Wat je ook uitgevreten had.
Samen reden we motor, dronken we een borreltje op de zaterdagavonden en konden we uren breinsparren over psychologie, of we de enige levensvormen in het universum zijn en of er leven na de dood is. (Hij geloofde daar niet in, ik wel). Mijn vader had de beste adviezen. Ook mijn liefde voor het schrijven heb ik aan één van zijn adviezen te danken. (Zie blog: Bedankt pap!) God, wat mis ik hem!
Feestje
De avond van ‘het telefoontje’ zal ik nooit vergeten. Ik vierde mijn verjaardag. Een week later dan gepland omdat buikgriep mij in zijn greep had op de dag zelf. Uiteraard waren mijn ouders er deze avond ook bij. Samen met een groep van onze vrienden hadden we het reuzegezellig en de tijd vloog voorbij.
Genoeglijke conversaties vulden de avond en rond middernacht waren de nodige berenburgjes (mijn vaders favoriet) en biertjes (mijn favoriet) meester gemaakt. Tijd voor ‘de ouwelui’ om naar huis te gaan. “Laterrr ouwe!” Riep ik half lallend vanaf de bank. Dat dat mijn laatste woorden tegen mijn vader zouden zijn, wist niemand toen nog.
Welke idioot belt midden in de nacht?
Het feestje gaat lang nadat mijn ouders zijn vertrokken door. Ik ben dan ook aardig ‘in de olie’ wanneer mijn hoofd om vier uur ‘s nachts mijn kussen raakt en slaap direct.
Ergens in mijn droom gaat een bel. Het duurt een tijdje eer ik besef dat het niet in mijn droom is, maar beneden in de woonkamer. Ook is het geen bel, maar de telefoon die gaat. (Mobieltjes waren er nog niet.)
Half slapend kijk ik op de klok: vijf uur! Welke idioot? Ik geef Richard een dreun. “Telefoon voor je!” Mopper ik, gefrustreerd dat ik zojuist uit mijn dronkenmansslaap ben gehaald. “Ik heb geen dienst.” Mompelt hij terug, ook in een aardige drank coma vermoed ik, en hij draait zich gewoon weer om.
Ondertussen is het gerinkel ook opgehouden. Ik plof weer op mijn warme kussen en begin te dommelen als opnieuw de telefoon gaat. Ik schiet overeind! “Dit is foute boel!” Weet ik meteen en loop snel de trap af en de woonkamer in om de telefoon te pakken.
“Hallo?” Neem ik op. Mijn zus aan de andere kant van de lijn met een bibberend stemmetje: “Met mij. Je moet komen. Ze zijn pa aan het reanimeren.”
“Het ziet er niet goed uit Daf…”
Verbijsterd kijk ik in de hoorn van de telefoon, alsof daar enige uitleg in te vinden is voor deze onverteerbare boodschap. Mijn zus vertelt me dat papa de ambulance in gereden wordt en ze naar het ziekenhuis vertrekken. “Fak! Ik kom eraan!” Gil ik al rennend de trap op. Ik trek willekeurig wat kleren aan, breng Richard op de hoogte en vertrek.
De laatste woorden van mijn zus resoneren in mijn hoofd: “Het ziet er niet goed uit Daf, het ziet er niet goed uit…”
In het ziekenhuis aangekomen ben ik echter te laat. Papa ligt bewegingloos op een kaal ziekenhuisbed. Ze kunnen niets meer voor hem doen. Huilend ga ik naast hem zitten op de rand van het bed. De kleur is uit zijn gezicht verdwenen, maar hij voelt nog wel een beetje warm.
Papa was altijd warm. “Ons kacheltje” zeiden we altijd. We mochten ons graag nestelen tegen zijn warme, grote borst toen we nog klein waren. (En ook toen we inmiddels wat groter waren.) En nu ligt hij hier.
“Oh pap, wat heb je gedaan?” Vraag ik hem snotterend. “Kom terug, alsjeblieft?” Maar ik voel de warmte uit zijn lichaam trekken en daarmee weet ik dat pap écht deze wereld verlaten heeft. Kan iemand me alsjeblieft knijpen? Ik vind dit geen leuke droom, ik wil wakker worden! Maar dat word ik niet. En papa nooit meer.
Ik knuffel hem nog één keer, om nog een het laatste beetje van zijn warmte op te vangen voordat het helemaal weg is…



Leave a comment